009 Herman Vuijsje – De Nieuwe Vrijgestelden

Uncategorized

Onuitstaanbare maar onthullende lectuur. Vuijsje schrijft al veertig jaar hetzelfde boek en elke keer is de boodschap ook hetzelfde: sinds de jaren zestig is een een klasse van progressieve intellectuelen ontstaan die zichzelf op allerlei belangrijke posities heeft gemanoeuvreerd, niet zozeer in de politiek, maar eerder in wat H.J. Schoo de ‘bewustzijnsindustrie’ heeft genoemd, oftewel de media. Merijn Oudenampsen heeft in De conservatieve revolutie laten zien dat deze stelling de Nederlandse tegenhanger is van de theorie van de new class die in de jaren zeventig door neconservatieven werd verspreid en later in Nederland is gemetamorfoseerd en doorgebroken onder de naam ‘linkse kerk’. Vuijsje is een schakel in de opkomst van nieuwrechts, en des te interessanter omdat hij min of meer progressief is (ik plaats hem ergens op de conservatieve vleugel van de PvdA) en de weg geplaveid heeft voor de opkomst van een term als ‘politiek correct’.

Kenmerkend voor het boekje is het, nogal cynische, gebruik van termen uit de sociologie of zelfs marxisme, zoals klasse, industrie en productie, maar dan volkomen verwaterd, of omgekat tot wapen in een cultuurstrijd: zie bijvoorbeeld een woord als spijkerpakkenproletariaat. Het heeft iets van de jarenzeventigvariant van wat nu door bureaus als Motivaction wordt gedaan: politieke en sociale marketing, bijvoorbeeld door de constructie van een klasse van postmaterialisten (denk aan een rommelig interieur met veel hout, vinyl en licht exotische kamerplanten). Daarnaast valt de stijl op. De mengeling van journalistiek lingo (met wendingen als ‘iets met “de maatschappij” willen doen’) en indrukkensociologie (gezalfd met het predikaat ‘empirisch’) is volgens mij ook invloedrijk, net als de meer literaire polemiek die Reve en Hermans bedreven en gepopulariseerd werd door GeenStijl.

Waarom dan toch lezen? In elke boutade (en dat is het argument dat ik nu geef toch wel) zit volgens mij een soort kern. Niet van waarheid, maar van een probleem. In dat geval is dat het probleem van bureaucratisering, van sociale differentiatie. Ambtenaren, zelf vrijgesteld van ‘echt’ werk, gaan zich beroepshalve bezighouden met de verheffing van de lagere klasse, maar er zelf beter van worden, of aan de hun gestelde plicht verzaken. In plaats van ongelijkheid te bestrijden, vergroten ze die, door hun eigen positie, hun eigen stand, in het glibberige idioom van Vuijsje, die zich zegt te ontfermen over de zwakkeren, maar over hun hoofden heen een robbertje uitvecht over welke elite hen mag betuttelen. Ik geloof dat dit neokritiek heet: de vernauwing van kritiek tot het aanwijzen van hypocrisie, waarbij structurele oorzaken uit het raam gaan. Geen sociologie dus, maar sociologisme, om in het idioom van Vuijsje zelf te blijven.

Directe aanleiding is verder dat ik politieke studie maak van het werk van Frans Kellendonk (1951-1990) , in wiens Brieven Vuijsje aangehaald wordt, en aan wie ook ontleend wordt: de term discriminatietaboe kom je bij hem tegen bijvoorbeeld, wat verwijst naar een boek van Vuijsje uit 1986, hetzelfde jaar als Mystiek lichaam. Ik geloof dat nieuwrechtse opiniemakers tot zijn bronnen moeten worden gerekend, en dat het iets oplevert om zijn werk te bezien in het licht van de conservatieve revolutie. Niet om Kellendonk in een hokje te plaatsen, maar om te begrijpen in wat voor politieke context hij opereerde. Dat blijft in de recente biografie van Jaap Goedegebuure bijvoorbeeld nogal onderbelicht.

Hoewel de spanningen, antagonismen en conflicten die Vuijsje (soms) aanwijst reëel zijn, worden ze alleen worden beschreven, en verdwijnen ze een groteske zwier achter een rookgordijn van een nogal goedkoop moralisme. Het gevolg: cultuurstrijd in plaats van klassenstrijd, terwijl een egalitaire, emancipatoire agenda nu tout court verdacht wordt gemaakt. Intussen worden er argumenten gegeven om de overheid dan maar uit te kleden, en een moreel reveil in te stellen dat de aan het infuus geraakte klasse van welzijnswerkers zelf, en hun gewillige proefkonijnen, kan op schudden en opzwepen tot individuele verantwoordelijkheid. Klinkt bekend?

004 The long 80s

Uncategorized

Ze zeggen weleens dat je altijd weer teruggrijpt op het decennium vóór het decennium waarin je zelf geboren bent. In mijn geval zouden dat de jaren zeventig moeten zijn – ik ben immers van 1987 – maar het zijn, zonder twijfel, de jaren tachtig. Ik heb verder geen enkele herinnering aan de jaren tachtig en voel me in alles een kind van de jaren negentig. Maar de jaren tachtig zijn het decennium waarin de wereld zoals ik die ken is ontstaan, mijn voorwereld om het met Kees Ouwens te zeggen. Het is waar Onder normale omstandigheden begint (de frase ‘de lange jaren tachtig’ komt erin voor) en het is ook het onderwerp van het nieuwe boek waar ik nu, mondjesmaat, aan werk. Het is ook de premisse van The long 80s. Constellations of art, politics and identities, dat een verzameling microgeschiedenissen aanlegt die samen een beeld van de jaren tachtig schetsen als een decennium van wereldwijde transitie en geopolitieke herschikking. De jaren tachtig zijn het begin van het nu en luidden tevens het einde van de naoorlogse wereldorde in, zodat ze terugblikkend het laatste decennium van de geschiedenis vormen – opnieuw, vanuit Europees perspectief.

In de jaren tachtig zelf is dat natuurlijk helemaal nog niet duidelijk, zoals uit die boek naar voren komt. De jaren tachtig waren de toekomst van de jaren zestig, waarin nieuwe sociale bewegingen zich optrekken uit het moeras van de reactie, maar bleken uiteindelijk zelf uiteindelijk geen toekomst te hebben. Het boek eindigt niet voor niets in 1989, het jaar waarin de muur valt en het ‘reëel bestaande socialisme’ ophoudt te bestaan – in Europa althans. Het is ook het jaar waarin Ayatollah Khomeini aftreedt en de Sovjet-Unie zich terugtrekt uit Afghanistan, om wat minder bekende, maar niet minder belangrijke politieke gebeurtenissen te noemen. In een ander recent boek wordt 1989 opgevoerd als het begin van het neoconservatisme, belichaamd door de fatwa tegen Rushdie en de wereldwijde protesten daartegen. Zo wil dit boek een herontdekking van de jaren tachtig zijn maar tevens een poging om de bewegingen, politieke acties en artistieke vormen van toen opnieuw te activeren. Wat betekenen ze nu voor ons? De auteurs, vaak zelf actoren, geen afstandelijke historici, beschrijven de jaren tachtig niet als afgesloten en afgedaan, maar als ‘archeologie van het heden’, om het met Foucault te zeggen; ze willen een discontinuïteit aan te brengen in het verstarde nu, zoals in de jaren tachtig, voor het einde van de geschiedenis, ook volop gebeurde.

De geschiedenissen die dit boek bij elkaar brengt worden omlijst door een aantal grotere analyses, die contexten scheppen, zoals het Parijs van de jaren tachtig en een muzikaal-politieke lijn. Ze vallen uiteen in grofweg vier thema’s: tegenculturen (No Alternative?), burgerrechten (Know Your Rights), identiteitspolitiek(en) (Processes of Identification) en neoliberalisme (New Order). The long 80s is weliswaar een Europese geschiedenis van de jaren tachtig, maar voert daarbinnen geen duidelijk centrum op: de geschiedenissen die het boek beschrijft zijn afkomstig uit Groot-Brittannië, Nederland, België, Frankrijk, Spanje en Portugal (eenmaal), voormalig Joegoslavië (met name Slovenië, maar ook wat nu Bosnië heet komt voorbij), Rusland (ook eenmaal) en Turkije. Daar zitten oude liberale democratieën bij (Groot-Brittannië, Nederland en België), postdictatoriale staten in de overgang naar democratie (Spanje en Portugal), een socialistische dictatuur (Joegoslavië) en een militaire junta (Turkije). Sterk is dat dit boek niet alleen de doorbraak van de nieuwe neoliberale consensus beschrijft; het beschrijft ook de opkomst van nieuwe vormen van strijd, nieuwe artistieke expressies en het ontstaan van nieuwe subjectiviteiten op het snijvlak van ras, klasse, seksualiteit en gender, die het huidige culturele en politieke denken nog steeds kunnen bevruchten. Zo decentreert het Europa van binnenuit, en bewegen termen als democratie, postsocialisme, neoliberalisme en autonomie historisch gewicht in plaats van essentialistische eigenschappen te worden van een bepaalde cultuur of identiteit – een geplogenheid die nu net het kenmerk is van de decennia na de jaren tachtig. Het boek suggereert dat dit de eerste stap is op weg naar een alternatieve geschiedenis van de jaren tachtig. En van het nu, zou ik daar aan toe willen voegen.

Zo komt de AIDS-crisis aan bod als een paradigmatische crisis van de jaren tachtig, waarin autonomie het opneemt tegen een neoliberale bestuurlijkheid, wordt de ZMV-beweging in Nederland (zwarte, migranten- en vluchtelingenvrouwen) uit de vergetelheid gehaald, lezen we over de ‘socialistische’ Joegoslavische digitale technologie, tweedegolffeminisme in Turkije en anti-militarisme in Spanje. Een rode draad zijn experimenten met autonome vormen van leven, handelen en produceren. Autonomie betekent steeds wat anders, en blijkt een glibberig begrip, dat vaak in ongemakkelijke, rommelige allianties met een economisch liberalisme terechtkomt, hoewel dat zeker niet noodzakelijk is. Sterk aan dit boek is dat het de opkomt van de neoliberale consensus niet als onvermijdelijk beschrijft, maar een emancipatoire geschiedenis opgraaft. Het bevat een schat aan materiaal en allerlei soorten objecten en documenten, afkomstig uit de kunst, sociale bewegingen en politieke acties, en in verschillende media en is prachtig uitgegeven.

Het boek afficheert zich als een collectie microgeschiedenissen en heeft geen grote pretenties een totaalbeeld te scheppen. Dat is kenmerkend voor de kunstzinnige insteek, en ergens ook voor de jaren tachtig zelf: versplintering, postmodernisme en de aftocht van ideologieën zijn belangrijke thema’s in dit boek. Subjectiviteit is vanzelfsprekend; niet voor niets zijn veel van de schrijvers zelf actoren geweest, al krijgt het boek daardoor gelukkig nergens een nostalgisch randje. De weigering te totaliseren is wel de politieke spanning die dit boek als geheel kenmerkt. In hoeverre omvouwt een macrogeschiedenis deze microgeschiedenissen? Als er een gedeelde theoretische en politieke analyse is, dan is het een postmarxistische, in de hoek van Laclau en Mouffe’s Hegemony and Socialist Strategy: links moet zich opnieuw uitvinden, een toekomst geven, in reactie op de reactie van de jaren zeventig, de desintegratie van het communisme en de opkomst van een nieuwe neoliberale hegemonie. Nieuwe politieke identiteiten zijn geen belemmering daarvoor, zoals je ook nu vaak hoort, maar bieden juist een kans op nieuwe mobilisering.

Tegelijkertijd liggen in de jaren tachtig de kiemen van het overstijgen van de links-rechts tegenstelling in de Derde Weg die de jaren negentig zal kenmerken. In de jaren tachtig is dat nog zeer ambigu: er wordt gestreden tegen het terugrollen van de verworvenheden van de jaren zestig en neoliberale ‘herordening’ (West-Europa), de gebrekkige ‘defrancoïsering’ en transitie naar democratie (Spanje), de gewelddadige depolitisering van de samenleving (Turkije) en autoritair socialisme en groeiend nationalisme (Joegoslavië). Die strijd heeft belangrijke successen geboekt, maar de groei van civil society heeft niet alle ambities kunnen waarmaken. De vraag, nog steeds, is wat voor autonomie we willen. De les: er is geen culturele autonomie zonder politieke autonomie; het doel is niet transformatie van het individuele leven langs economische lijnen maar transformatie van het collectieve leven. Allemaal uiterst actueel. Na het lezen van dit boek besef je hoe veel er al gedaan is, maar ook hoe fragiel – zeg maar gerust, verdrukt – ons archief is en hoeveel er nog te winnen valt. We moeten de geschiedenis terugeisen. Te beginnen bij de voortijdig afgebroken bewegingen van de jaren tachtig. En hun radicale potentieel vergoten, in plaats van een steriel, eenzijdig image te promoten.