Over de taiga

Voorwerk

20151208_173311.jpgI

nog steeds hangt de camera van het kunstinstituut
boven de bedreigde diersoort
maar je bent er niet
het is lastig schrijven

Lampe is een klassiek dichter. De enige echte! Ze be-oot en bejaat alleen wat het waard is om te worden be-oot en bejaat. Schoonheid. Wat is schoonheid?

je helder te zien
doorheen de mist van bewegingssensoren

In De taiga zwijntjes neemt Astrid Lampe in dit eerste gedicht meteen ferm stelling tegen alle poëzie die deze aandacht in de weg staat. Goedkoop effectbejag bijvoorbeeld (‘ATTENTION: zo blazen we je / van de sokken met onze po-eemen’) die vooral bedoeld lijkt om de eigen vochthuishouding op peil te houden (de goed geplaatste snik). Maar ook de steriele kunstinstituutpoëzie, die opgemaakt en bewonderd dood ligt te zijn. Kortom, poëzie die verstrooit, versnippert, passief maakt. Lampe wil echte betrokkenheid, die impliceert dat je risico neemt. Een liefdesverklaring. Waarbij geldt: liefde = aandacht.

Wordt vervolgd.

Over Frans Kellendonk (5)

Voorwerk
Frans Kellendonk.

Frans Kellendonk.

Ik raakte zo opgewonden omdat ik gewoon kon voelen dat zich op dit punt iets rauws, iets onverteerds openbaarde, een gat in die prachtige, sardonische zinnen van Kellendonk waar iets uit weglekte wat niet kon worden gestelpt met propjes universele ervaring. Iets intens subjectiefs. Toen ik als bevende student Nederlands in 2006 een avond over Kellendonk bezocht in deBalie en mijn held Bas Heijne ontmoette wilde ik een literatuur van de Grote Vragen. Nu ben ik geïnteresseerd in identiteit, het rommelig particuliere – en in seks. Net als na het lezen van de brieven was er ruimte geschopt in mijn hoofd. Ruimte voor verandering, voor het andere. Ik was dan ook niet van plan het lek te dichten en met Betekenis te plamuren. Was dit, heel voorzichtig, een hoopvol antwoord op de vraag die me al jaren bezighield – de vraag of negatieve gevoelens zich in een progressieve politiek lieten vertalen?

Ik dacht terug aan de vele momenten waarop ik, terneergeslagen, teksten van de Italiaanse filosoof Paolo Virno zat te lezen op mijn studentenkamer, een aquarium op de Herengracht, terwijl ik zocht naar een taal die het verdriet van mijn privatisering kon verklanken. Virno was mijn therapie. Mijn gevoelens van cynisme en opportunisme, mijn vrolijke berusting en mijn wanhoop, waren volgens hem niet persoonlijk, maar producten van het economisch systeem waarin ik leefde – het postfordisme, met zijn romantisering van het flexibele, het tijdelijke, het individualistische. Maar juist die historische gegrondheid impliceerde, in goede marxistische stijl, dat deze gevoelens niet voor de eeuwigheid waren. Nee, ze bevatten de kiem van maatschappelijke conflicten, conflicten die konden uitgroeien tot ware transformaties, tot een nieuwe linkse politiek misschien zelfs. Dat was de ambivalentie van de onttovering. Hoe vaak had ik die woorden niet voor me uit gepreveld, als een donker loflied? De ambivalentie van de onttovering, de ambivalentie van de onttovering. Het waren woorden van hoop, een engelachtig ruisen dat mijn hart verwarmde.

Ik zag nu in dat Virno mijn laatste boei was geweest, de laatste grote theorieboei in een dode zee van uitgewoede radicaliteit, toondoofheid en armoede. Ik had me eraan vastgeklampt maar dobberde net zo reddeloos verder. En zo was ik nog een paar jaar doorgetold om deze dialectische as, tot ze in stukken brak en ik helemaal onbestuurbaar was geworden. Het magnetische waarheidseffect dat de woorden van Virno hadden gehad was vervaagd. Het was geen rituele afzwering, ik was gewoon doorgegaan met leven. Het hele edele proces waarbij het negatieve in een stralende positiviteit werd omgesmolten was magisch geworden. The stuff of legend. Het gewoon oké om stil te staan bij gevoelens van somberheid, van toevallig geluk, en van alle emoties daartussen. De totem die stijl voor mij geweest was, een manier om mijn leven te organiseren als klein individu, brokkelde af, de snippers hout als confetti in het rondgestrooid, ik raakte bedolven. Een droevig beeld eigenlijk.

Ik wilde opstaan en door de zaal ijsberen, driftig mijn neus ophalen, zoals ik altijd doe wanneer ik overweldigd word door een idee – de merkwaardige tics van het lichaam dat de spot drijft met de pontificerende ernst waarin de beschrijving van het innerlijk leven gedoopt is. Hier moest ik het met Maarten over hebben! Wanneer was het pauze? Nog niet. Eerst moesten we door een lezing heen ploegen over de vraag of lezen kan bijdragen aan de ethische ontwikkeling van lezers. Voor ik het wist was ik vastgezogen in het retorische sediment van de zinnen van deze Leuvense academicus. Wat had hij me vertellen? Ik raakte alles weer kwijt. Ik had zijn naam nog genoteerd, daaronder moedeloos, kinderlijk gedroedel – verder komen mijn aantekeningen niet. Ik wilde leven. Wat een domme gedachte eigenlijk.

Over Frans Kellendonk (4)

Voorwerk

-021

Ik zat op het puntje van mijn stoel, aantekeningenboekje klam in mijn schoot. Volgens Andeweg zat Letter en Geest vol met perversies. Op groteske wijze raakten werk en seks in dit boek steeds vermengd. Als Felix Mandaat, gewend om vanuit zijn bed te werken, besluit om zijn leven te gaan delen met anderen, zoekt hij geen partner maar een nieuwe baan. Mandaat krijgt een zaadlozing als hij zijn assistente, mevrouw Qualing, opvangt bij het verdrijven van een duivenpaartje uit de leeszaal van de universiteitsbibliotheek. Als Mandaat op de wc, waar hij met een plotse erectie heen is gevlucht, een gesprek afluistert tussen twee collega’s die het over het aanbreken van lente hebben (het ontluiken van de natuur, het begin van nieuw leven) roept dit bij hen alleen professionele verlangens naar ander werk op, niet naar de liefde. Op allerlei manieren trad er in Letter en Geest verwarring op tussen de privésfeer en openbaarheid. Intimiteit stond onder druk.

Toen kwam Andeweg in een versnelling. In een paar zinnen verbond ze de homo-emancipatie, begin jaren tachtig op haar hoogtepunt, met de ambivalentie over de coming-out als de enige mogelijke manier om voor homoseksualiteit uit te komen – openlijk dus, door lid te worden van de homogemeenschap – en liet ze zien hoe die gemeenschap daarmee iets uitsluitends kreeg. Nu het kon moest je je seksuele identiteit immers claimen en uitleven, anders was je niemand. Homoseksualiteit werd zo een publieke performance en dat was niet alleen maar winst. Het betekende ook een verlies. Een verlies van een bestaande identiteit, die vaak nog wortelde in een verleden van marginalisering, schaamte, zelfhaat, pijn, isolatie. Letter en Geest registreert die ambivalentie. Het laat zien hoe moeilijk dat verlies bespreekbaar is. De kast was opengegaan, maar met die zichtbaarheid was ook iets uit het zicht getoverd, een verleden dat het heden wel bleef bespoken maar om het overlijden waarvan niet kon worden gerouwd omdat het in de ogen van de publieke opinie niet bestond. Het probleem van de homoseksualiteit was in de jaren tachtig opgelost.

Maar emancipatie stond niet gelijk aan integratie alleen, zo liet Letter en Geest doorschemeren. De cruciale – en politieke – vraag was of er een alternatief was voor die integratie die emancipatie niet losliet of zelfs terugdraaide. Gelukkig was die mogelijkheid er, een derde weg zogezegd, die voorbijging aan get discours van de coming-out, maar ook aan een geprivatiseerde vorm van seksualiteit, zoals die in de jaren post-Fortuyn gestalte had gekregen in het homonationalisme van rechtse politici zoals Rita Verdonk. De homo als modelburger van de neoliberale staat, die afziet van gemeenschap in ruil voor individuele vrijheid onder toeziend oog van de markt.

Nee, volgens Andeweg sloot de positie van Kellendonk meer aan bij iemand als Heather Love, die over de blijvende aanwezigheid van negatieve emoties in de geschiedenis van homoseksualiteit had geschreven – precies de gevoelens die in Letter en Geest zo’n grote rol speelden, op de achtergrond, als eenzaamheid. Die donkere gevoelens waren niet zomaar verdwenen, ook niet nu ze waren omgezet in gevoelens van trots – juist niet. Want hoewel zulke gevoelens homoseksuelen hadden geblokkeerd en beklemd vormden ze ook een geleefde realiteit, waar mensen aan waren gehecht, die hen hadden vervormd en gevormd, beschadigd maar ook gemaakt.

Ineens besefte ik iets. Ideaalbeelden bestonden niet. In deze gotiek stond geen pervers heden tegenover een weldadige nostalgie. Het verleden zelf was een hoop verbogen rommel. Er staken spijlen uit. In een van die spijlen zag ik mijzelf weerspiegeld. In mijn notities was homoseksualiteit ongemerkt tot heteroseksualiteit vergleden, zonder dat ze elkaar uitwisten. Heteroseksualiteit was groei maar ik werd het verleden in geslingerd, naar de historische bronnen van mijn eigen verlegenheid, mijn eigen onvermogen tot communicatie, die hier ergens waren ontsproten. Emancipatie had geleid tot individualisering, daarna tot atomisering en ten slotte tot eenzaamheid. Opnieuw. Moest emancipatie niet meer inhouden – geen bevrijding van de samenleving, maar bevrijding van atomisering? Het probleem waar Kellendonk mee had geworsteld stond ineens levensgroot voor me.

Wordt vervolgd in deel 5.