Laboratorium

Voorwerk

Eerder dit jaar schreef ik voor het Vlaamse tijdschrift De Leeswolf een bespreking van de debuutroman van theatermaker Pieter De Buysser, De keisnijders. Die bespreking staat nu online op de site van De Reactor. Het is alweer even geleden dat ik het stuk schreef, begin januari om precies te zijn. Hieronder volgen enkele nieuwe bedenkingen bij dit boek.

De keisnijders is een intelligente, ambitieuze ideeënroman, gDe keisnijderseïnspireerd door veel cutting edge-filosofie, zoals De Buysser in een diepgravend interview op de site van Kritische Studenten Utrecht vertelt. Onder meer Badious theorie van het evenement & het subject als drager van een waarheid, het speculatief realisme van Meillassoux en het autonomia-denken van Castoriadis en zijn ideeën over het gemeenschapsvormende potentieel van de verbeelding komen voorbij.

De Buysser is dus goed ingevoerd. Tegelijkertijd wordt uit De keisnijders duidelijk dat een parade van nieuwe denkers niet per se ook nieuwe literatuur hoeft op te leveren. De Buysser, opnieuw in het interview met KSU:

Het willen breken met de traditie van de breuk is net eigen aan het heersen van de ideologie, die wil de avant-garde van gisteren installeren als het commissariaat van morgen. Dat is net het verraad aan de traditie van de breuk. Ik wil graag de repeterende breuken doordenken en verder zetten, in de politiek en in de literatuur. We stellen het intussen wel al heel erg lang met een politieke organisatievorm die er de kantjes van begint af te lopen, ik wens Oom Dagobert een stevige paradigmawissel toe, net zoals ik dat de romankunst toewens. Avant-garde, all the time.

‘Avant-garde all the time.’ Wie bekend is met het werk van de filosofen die De Buysser aanhaalt zal hier toch even fronsen. Natuurlijk, allemaal denken ze de breuk, en allemaal zijn ze fel tegen de afgeleefde politieke organisatievorm die tegenwoordig voor democratie moet doorgaan. Maar geen van hen laat dit project, en dat is cruciaal, samenvallen met de avant-garde, die – zo menen zij, ik denk terecht – na de desastreuze verstrengeling van esthetiek en politiek in de twintigste eeuw is uitgedoofd. Juist niet: ze vragen zich af hoe politieke kunst er na de implosie van de avant-garde uit zou kunnen zien.

Dit is de vreemde paradox van het boek van De Buysser: de schatplichtigheid aan een filosofie die vernieuwend  en voorbij wil gaan aan de impasses van de ‘oude’ revolutionaire politiek, vindt haar neerslag in een artistiek programma dat de gestes van de avant-garde herhaalt als gestes.

Zo wordt de nieuwe Berlijnse muur in De keisnijders, een kolossale nul, samengesteld uit het puin van de oude muur, de ‘voorafspiegeling van een ongeziene figuur’ genoemd, een verbeelding van een toekomstige gemeenschap. En het niemandsland rond de Berlijnse muur waar De keisnijders zich afspeelt wordt gepresenteerd als een ‘laboratorium voor antropotechnieken’, een ruimte waar al spelend, experimenterend en verhalend vertellend een nieuwe mens tot stand wordt gebracht.

Kunst dient hier als voorstelling van een andere, utopische maatschappij, en als laboratorium voor politieke verandering. Twee ideeën over politieke esthetiek waar Badiou zich nu juist altijd fel tegen heeft verzet. In zijn denken gaat het om de mogelijkheid van verandering right here right now, en kan kunst nooit ter vervanging dienen van een politiek evenement. Sterker nog, het verwarren van politiek en kunst heeft geleid tot de verwatering van het werkelijke politieke potentieel van kunst, dat gelegen is in de wijze waarop het een evenement kan doen verschijnen.

Het gaat in politieke kunst volgens Badiou dan ook niet om negativiteit, het voortzetten van repeterende breuken maar om een positief gegeven: het formuleren van een nieuw politiek subject in het spoor van een evenement. De Buysser houdt daarentegen vast aan een avant-gardistisch begrip van kunst als wegbereider van een nieuwe politiek en een nieuwe maatschappij. Het gevolg is dat De Buysser onvermijdelijk met de totalitaire erfenis van de avant-garde en de klassieke revolutionaire linkse politiek zit opgescheept . Dat maakt dat dit boek uiteindelijk in een impasse belandt.

Abdicatie

Voorwerk

Terwijl op de Nederlandse televisie koningin Beatrix haar abdicatie bekendmaakte, sprak ik voor het Vlaamse tijdschrift De Leeswolf met Sven Vitse (literatuurwetenschapper en criticus) over de toekomst van het literaire engagement. Sander Bax, eveneens literatuurwetenschapper en criticus, modereerde: ‘Treffender had een van de belangrijkste dilemma’s van het gesprek niet verbeeld kunnen worden: hoe krijg je politiek betrokken experimentele literatuur voor het voetlicht in een samenleving die daar eigenlijk geen oog voor heeft. Een gesprek over politiek in de marge en het verlaten van het reservaat.’

Aanleiding voor het gesprek was de recensie die ik schreef voor De Reactor over Marc Reugebrinks boek Het geluk van de kunst en de reeks essays die Sven Vitse onlangs publiceerde in De Leeswolf (jg. 18, nr. 7-9) over ‘Experiment in crisistijd’.

De volledige tekst van het interview hoop ik binnenkort online te kunnen zetten. Hierbij alvast een kort fragment:

Sven Vitse: Ik vond dat Marc Reugebrink erin geslaagd was op een integere manier de autonome positie van de schrijver ter discussie te stellen. Doorgaans wordt over dit probleem vanuit een superieure cultuurkritische positie gepraat. Ik had het gevoel dat Reugebrink zich expliciet rekenschap gaf van het problematische karakter van die positie. En ik heb de indruk dat jij vindt dat hij daar nog lang niet ver genoeg in ging.

Frank Keizer: Eindelijk kwam ik eens iemand tegen die de vraag stelt of we nog van die autonome positie uit moeten gaan en of we misschien kunnen gaan werken vanuit een andere, heteronome positie. Maar nog voor hij het concreet heeft weten te maken, duiken er alweer ‘oude reflexen’ op.  […]

Behalve over Reugebrink en literaire autonomie spraken we over de toekomst van een linkse, emancipatoire politiek, de expliciete lyriek in mijn bundel Dear world en het denken van Alain Badiou.

Iemand die zo’n positie in mijn ogen wel concreet weet te maken is schrijver en kunstenaar Jack Segbars. Ik besprak, een tijd terug alweer maar nog steeds actueel, zijn boek Inertia, een verslag van een reis naar Palestina in 2009 en 2010 waarin hij de mogelijkheden en grenzen, de parameters kortom, van het artistieke engagement onderzoekt. Dit doet hij tegen de achtergrond van de overweldigende politieke realiteit van het Israël-Palestina-conflict, en de ingewikkelde medeplichtigheid van de kritische kunstenaar daarbinnen, wanneer hij wordt geacht mee te denken en te praten over zijn rol als maatschappelijk medevormgever.

Inertia is daarmee een boek dat bij uitstek gaat over de instrumentalisering van kunst en kunstenaar, en de vraag hoe we deze inbedding van kunst in de samenleving op een niet-instrumentele manier kunnen inzetten. Die vraag is van belang in het licht van de neoliberaal-populistische aanval op de kunst die we de afgelopen jaren hebben gezien, maar zeker ook in het licht van een niet minder problematisch discours: dat van de naoorlogse sociaaldemocratie, inmiddels nagenoeg verdampt, of dat van de ‘creatieve industrie’, waarvoor kunst een vroom vernisje is dat een wezenlijk economische logica verhult.

Segbars probeert te ontsnappen aan het voorgekookte engagement en het profijtelijke idealisme, en maakt komaf met het idee dat kunst, de artistieke verbeelding of een surrogaat zou kunnen zijn voor het politieke. Dat Segbars er desondanks in slaagt niet cynisch te worden en weigert in een reflexmatige kritische stuip te schieten, is knap. Ik hoop dat er meer van dit soort boeken gaan verschijnen.