Abdicatie

Voorwerk

Terwijl op de Nederlandse televisie koningin Beatrix haar abdicatie bekendmaakte, sprak ik voor het Vlaamse tijdschrift De Leeswolf met Sven Vitse (literatuurwetenschapper en criticus) over de toekomst van het literaire engagement. Sander Bax, eveneens literatuurwetenschapper en criticus, modereerde: ‘Treffender had een van de belangrijkste dilemma’s van het gesprek niet verbeeld kunnen worden: hoe krijg je politiek betrokken experimentele literatuur voor het voetlicht in een samenleving die daar eigenlijk geen oog voor heeft. Een gesprek over politiek in de marge en het verlaten van het reservaat.’

Aanleiding voor het gesprek was de recensie die ik schreef voor De Reactor over Marc Reugebrinks boek Het geluk van de kunst en de reeks essays die Sven Vitse onlangs publiceerde in De Leeswolf (jg. 18, nr. 7-9) over ‘Experiment in crisistijd’.

De volledige tekst van het interview hoop ik binnenkort online te kunnen zetten. Hierbij alvast een kort fragment:

Sven Vitse: Ik vond dat Marc Reugebrink erin geslaagd was op een integere manier de autonome positie van de schrijver ter discussie te stellen. Doorgaans wordt over dit probleem vanuit een superieure cultuurkritische positie gepraat. Ik had het gevoel dat Reugebrink zich expliciet rekenschap gaf van het problematische karakter van die positie. En ik heb de indruk dat jij vindt dat hij daar nog lang niet ver genoeg in ging.

Frank Keizer: Eindelijk kwam ik eens iemand tegen die de vraag stelt of we nog van die autonome positie uit moeten gaan en of we misschien kunnen gaan werken vanuit een andere, heteronome positie. Maar nog voor hij het concreet heeft weten te maken, duiken er alweer ‘oude reflexen’ op.  […]

Behalve over Reugebrink en literaire autonomie spraken we over de toekomst van een linkse, emancipatoire politiek, de expliciete lyriek in mijn bundel Dear world en het denken van Alain Badiou.

Iemand die zo’n positie in mijn ogen wel concreet weet te maken is schrijver en kunstenaar Jack Segbars. Ik besprak, een tijd terug alweer maar nog steeds actueel, zijn boek Inertia, een verslag van een reis naar Palestina in 2009 en 2010 waarin hij de mogelijkheden en grenzen, de parameters kortom, van het artistieke engagement onderzoekt. Dit doet hij tegen de achtergrond van de overweldigende politieke realiteit van het Israël-Palestina-conflict, en de ingewikkelde medeplichtigheid van de kritische kunstenaar daarbinnen, wanneer hij wordt geacht mee te denken en te praten over zijn rol als maatschappelijk medevormgever.

Inertia is daarmee een boek dat bij uitstek gaat over de instrumentalisering van kunst en kunstenaar, en de vraag hoe we deze inbedding van kunst in de samenleving op een niet-instrumentele manier kunnen inzetten. Die vraag is van belang in het licht van de neoliberaal-populistische aanval op de kunst die we de afgelopen jaren hebben gezien, maar zeker ook in het licht van een niet minder problematisch discours: dat van de naoorlogse sociaaldemocratie, inmiddels nagenoeg verdampt, of dat van de ‘creatieve industrie’, waarvoor kunst een vroom vernisje is dat een wezenlijk economische logica verhult.

Segbars probeert te ontsnappen aan het voorgekookte engagement en het profijtelijke idealisme, en maakt komaf met het idee dat kunst, de artistieke verbeelding of een surrogaat zou kunnen zijn voor het politieke. Dat Segbars er desondanks in slaagt niet cynisch te worden en weigert in een reflexmatige kritische stuip te schieten, is knap. Ik hoop dat er meer van dit soort boeken gaan verschijnen.

De beschikbaarheid van lichamen en tijd

Voorwerk

Enige tijd terug besprak Christophe van Gerrewey voor De Reactor Het licht, de tweede roman van Jeroen van Rooij, over een hechte groep jongeren uit het fictieve Nederlandse slaapstadje Bruggend. Hij ziet hun muzikale beroezing als berusting, als wereldverzaking en niet als een kritisch project:

‘Van de mogelijkheid tot culturele of intellectuele ontwikkeling lijken ze niet op de hoogte. (…) In Het licht is de uitweg voor jongeren volledig escapistisch, en blijkt het een zeer vergeeflijke uitweg die quasi-democratisch toegankelijk is – althans voor jongeren zelf. Het gaat om een project dat zich slechts van feest naar feest tilt, dat niets met de wereld te maken wil hebben, en dat aldus nauwelijks een project genoemd kan worden.’

Van Rooij neemt daarmee afstand van het cultuurkritische cliché van het kritische individu dat in opstand komt, en markeert de transitie naar truly postmodern times, waarin elk sociaal of politiek verlangen volkomen is uitgedoofd.

Ik was het er toen niet mee eens, omdat Van Gerrewey het vergeestelijkte boven het lichamelijke plaatst, en zo het affectieve leven zijn politieke werking ontzegt, en ik ben het er nu niet mee eens. Maar toen had ik de roman nog niet gelezen, en bovendien kwam ik in OPEN een interview tegen met de post-operaistische activist en denker Franco ‘Bifo’ Berardi, die de bipolaire sensibiliteit van ons huidige psychopathologische en tegelijkertijd extatische heden goed lijkt te vatten – en daarmee ook iets acuuts zegt over deze roman: ‘Het gaat niet om een politiek verzet tegen iets, maar veel meer om een psychotherapeutisch proces van de ontdekking van een gemeenschappelijk lichaam.’

Een project hebben de jongeren in Het licht wellicht dus niet, maar daarmee is hun overgave nog geen capitulatie, niet apolitiek of nihilistisch. Integendeel, de jongeren in Het licht kondigen iets aan, eisen iets terug waarvan ze zelf wellicht nog niet bewust zijn, maar hun lichamen wel: een hedendaagse vorm van autonomie, los van de temporaliteit en de precaire economie van het neoliberalisme. Ze staan niet voor de passieve heropvoering van een mentaliteit die zich heeft uitgeput, zich te pletter heeft geschreeuwd of geneukt tegen de stolp van ons consumentisme, maar herontdekken een vorm van erotische opstand. Dat eerder dan de dubieus hedonistisch klinkende samenvatting die Van Gerrewey ervan geeft.

Hoezeer de personages van Het licht ook door ambivalenties geplaagd worden, en hoe navrant de roman uiteindelijk ook eindigt, Het licht evoceert ergens de mogelijkheid van zelfbestemming van het sociale lichaam. De vraag blijft hoe die energie op collectieve schaal gebundeld kan worden, maar dat lijkt me uiteindelijk niet een van literaire aard.

‘Nur die Liebe zählt’, was het refrein van de debuutroman van Van Rooij, De eerste hond in de ruimte. Franco Berardi zegt het zo: ‘Het gaat om de bevestiging dat liefde uiteindelijk het enige werkelijk belangrijke is, en dan niet opgevat in christelijke zin, maar in een materialistische zin. Het gaat om de beschikbaarheid van lichamen en tijd’. Literatuur moet onze zinnen dan ook niet zozeer ontregelen, maar bezetten, wat op dit moment niets anders betekent dan ze vrij maken.