Over Frans Kellendonk (2)

Voorwerk

Kellendonk,Frans19831101-11
Het is lunchpauze en ik loop samen met Daniël Rovers en Maarten over het terrein van de Leidse universiteitsbibliotheek – dit is niet de locatie uit Letter & Geest, vertellen we elkaar, dit gebouw is in gebruik sinds 1983. We zijn op een congres over Frans Kellendonk. Frans Kellendonk en de andersheid heet het in academinees, maar het had ook Frans Kellendonk en de communicatie kunnen heten, misschien wel moeten heten. Het is het begin van de zomer en de zon maakt ons minder bedrukt. Daniël zegt met zijn krakende, nasale stem, een jongensachtige twinkeling zijn ogen, dat de stijl waarin de nieuwe universiteitsbibliotheek gebouwd is ook wel postmoderne laagbouw wordt genoemd. Ik weet niet of het waar is, maar ik vind het prachtig. We lachen. Kellendonk spookte hier rond! Dit was het perfecte, pregnante begin van het essay over zijn werk waar ik al sinds 2005 naar zocht – licht en toch gewichtig. En meteen verfoei ik mezelf om deze neurotische, typisch essayistische gedachte, wat niet minder neurotisch is.

Maar mijn gedachten waren al niet meer te houden. Ze strekten zich voor me uit en lieten alles op elkaar rijmen. Was postmoderne laagbouw, bedacht ik terwijl we door een draaideur gingen, op weg naar de lunch, immers niet een ideale figuur om na te denken over het werk van Kellendonk? De architectuur die ons omringde was ook een oplossing voor het drama waar Kellendonk mee had geworsteld. Het gebrek aan transcendentie. Dat werd door deze bouw, die in alles vlakheid wilde uitstralen, alleen maar geaccentueerd. Het essay begon zichzelf te schrijven. De oude bruggen waren ingestort zoals Kellendonk zelf had geschreven in De veren van de zwaan, en we leefden nu tussen brokstukken die een ontbrekend geheel moesten stutten. Het was een beschrijving die volmaakt paste op Kellendonks eigen stijl. Zonder religie en metafysica moest een weefsel van zinnen de leemte opvullen die de overleden God had achtergelaten – vergeefs natuurlijk, zou ik daar in mijn essay alwetend aan toevoegen, want de stijl beloofde een naadloosheid die helemaal niet kon bestaan. Een bewustzijn dat de zinnen van Kellendonk cultiveerden, die naarmate ze verder werden voortgestuwd hun eigen tegenkrachten opriepen en werden teruggestoten, de diepte in, waar ze een blik gunden op hun eigen bouwvalligheid en kunstmatigheid.

Verheffing en verval. Het spel van verticaliteit en horizontaliteit. Het hele drama van de moderniteit, van de vooruitgang, zat samengebald in deze stijl. Kellendonk noemde de syntaxis van Bordewijk een spooksyntaxis, misschien was het zelfs een behekste syntaxis die alles perverteerde waarmee ze in aanraking kwam. De stijl van Kellendonk had ook onmiskenbaar iets van camp, met haar fixatie op de emblemen van het verleden, op het archaïsche en verouderde. Misschien verried het daarmee een nog wel duisterder waarheid – de afwezigheid van welke grond dan ook. Maar dat betekende dat het probleem van de kennis zou nooit worden opgelost, dat er geen hoop was op overbrugging, op continuïteit. Er spoelde een vlaag van vertwijfeling door me heen.

Er loopt een giraf door de zinnen van Kellendonk, een volmaakt dier dat onder en boven verknoopt, gracieus en van een misplaatste schoonheid. Want de waarheid was dat de giraf in Nederland van nature niet voorkwam en dat de lunch al op tafel stond, broodjes in kartonnen wikkels, allemaal hippe combinaties – humus met gegrilde courgette, rosbief met rucola. Daar zat Frans-Willem, wiens lezing over het katholieke ideaal bij Kellendonk ik die ochtend gemist had. Ha Frans-Willem!

Wordt vervolgd in deel 3.

De Europese gedachte van een Rus

Uncategorized

Daniël Rovers vroeg me op Tirade om een stemadvies. Dat heb ik niet maar ik geef graag een Europese gedachte mee. Van een Rus. In het lange gedicht ‘Europa’ van Kirill Medvedev zit de dichter in de bus naar Rome, op weg naar een poëziefestival. Beschonken en extatisch geeft hij zich over aan een dronken visioen van een post-etnische toekomst dat even apocalyptisch is als utopisch. Provocerend, totaal geschift en heel erg goed. Een fragment:

ik zie hoe bloedverwanten
of speciaal daarvoor in dienst genomen verplegers
terminaal zieke mensen
europa rondduwen in rolstoelen:
toeristen zijn het
allemaal of toch bijna allemaal zijn het toeristen
ik zie dat bijna alle toeristen
lijken op die zieken,
ik vraag me af
hoe je in dergelijke situaties moet handelen,
ik geloof dat je je bij voorbaat moet verheugen
op je aanstaande
waarachtige
onmogelijke
ongeziene
reis, zonder je te vergapen aan de levende ruïnes
met hun hagedissen,
zonder je lichaam
dat al wat gehavend is (slap, plomp, zoet en
al niet helemaal meer van jou)
met je mee te zeulen
door lieflijke steden in het avondrood,
waar alles gruwelijk is,
waar alles mooi is,
waar iedereen zuipt,
waar van alles gezopen wordt,
waar alles wordt opgezopen,
binnenkort waait alles weg
binnenkort houdt alles op te bestaan
ook mensen zullen ophouden te bestaan
dan komt de sloop
en bepaalde mensen die niet bestaan
(zoals iemand die in een wasbak kotst)
zullen zich over ons buigen
als over dode geschifte inktvissen
als over kokendhete bekers
als over krankzinnig geworden groenten
en dan
(als over op hol geslagen augurken)
en dan
zoals wij nu in onze stupiditeit, curiositeit,
verzadigde inertie de wens koesteren
om niet vergeten te worden,
(we zouden graag staarten
nalaten), we willen
iets nalaten,
zo zullen wij (wanneer we niet bestaan) wensen
dat WIJ gelaten worden
dat WIJ met rust gelaten worden
vergeten worden
zodat onbekende (die op hun manier – op onze manier –
evenmin bestaan)
mensen
of geen mensen
maar een soort klodders of afdrukken
een soort rondkruipende vormen,
sporen die naar de mist leiden,
zich niet zo innig zouden buigen
over onze wasbakken,
over onze geïmproviseerde ruwe doodskisten,
als over dunne vleugels
als over heldere doorzichtige hoofden
in een poging te begrijpen
hoe het is gebeurd en wat er is gebeurd
en wanneer het is gebeurd,
wanneer en waardoor we zo ongemerkt
waanzinnig zijn geworden
en waarom (waarom?)

Uit: Kirill Medvedev, ‘Europa’, vertaling Pieter Boulogne. Opgenomen in Alles is slecht, Leesmagazijn 2014.