Het midden

Blog, Uncategorized

Marc Kregting noemt het stuk dat ik schreef over Het plein van Jan-Willem Anker voorbeeldig en beklijvend, maar kan me niet altijd volgen. In zijn prikkelende reactie stelt hij dat niet alleen de uitgeverij de framing (‘Hoe overleef ik een achterstandswijk?’) achterop het het boek georkestreerd heeft. De auteur zelf schaart zich, via zijn zelfrepresentatie en in de taal die hij hanteert, achter de tagline en het discours dat erdoor gesymboliseerd wordt. Verder zou Anker zou aan ‘balanscensuur’ doen door steeds het evenwichtige midden op te zoeken, of ironisch worden als het er echt om spant, waardoor het onomstotelijke belang van het boek teniet zou worden gedaan.

Marc Kregting stelt, zoals altijd, goede vragen. Anker had verder kunnen gaan. Maar had hij dat ook moeten doen? Het plein is een ambivalent boek. Als Kregting de imprecisie bekritiseert waarmee Anker zijn eigen klassepositie beschrijft – hij identificeert zich als middenklasser, terwijl hij als schrijver eerder ZZP’er in de creatieve sector is, en bovendien zijn opleiding tot docent Frans nog helemaal niet heeft afgerond – dan verwijst dat voor mij eerder naar de incoherentie en identiteitscrisis die het boek wil beschrijven en begrijpen. Anker is op weg naar een baan als docent Frans, maar in het heden waarin hij schrijft is hij dat nog niet. Hij zit ergens tussenin. Deze betekenis van het midden – als crisis, als impasse – mag gerehabiliteerd worden als plek waar anders kan worden gehandeld, geleefd en gedacht. Er schuilt hoop in, strijd, verlangen, woede en waar het heen gaat met die gevoelens is onduidelijk. Misschien leveren ze wel niets op.

De vraag die hier, voor Kregting en voor mij uiteindelijk onderligt is die van een nieuw links verhaal en hoe het zou kunnen worden verteld. Geen gemakkelijke vraag. Ik zoek de kracht van dit boek meer in de manier waarop Anker die vraag zijdelings benadert, in plaats van head-on.

Dit en meer beweer ik in mijn reactie op Marc Kregtings stuk, hier te lezen, onder het stuk zelf, in de comments. Wat is uw linkse verhaal?

Twee keer thuisverlangen

Voorwerk

Wat is het toch met postmoderne intellectuelen met een thuisverlangen? Er zit een stuk in. Dat moet ik nog schrijven, maar als voorschot daarop alvast twee kritieken: een over Geert Buelens, en een over Marc Reugebrink.

Voor De Reactor schreef ik over Thuis, de nieuwe bundel van Geert Buelens. Waarin het huis in bouwvallige staat verkeert. Een desolate boedel. De vraag is hoe we het weer terugkrijgen, nu nationalisten, kosmopolieten en speculanten er met de buit vandoor dreigen te gaan. De afloop is ongewis, maar nieuwe genres dienen zich aan. Een aantrekkelijke bundel, die het sentiment niet schuwt. Lezen die hap.

In de Leeswolf een stuk van mijn hand over Het Belgisch huwelijk, de nieuwe roman van Marc Reugebrink. De roman die je wist dat zou komen, zou je haast zeggen. Ik schreef het stuk nog net voor de N-VA een eclatante en desastreuze verkiezingsoverwinning boekte. Tegen die achtergrond pakt het boek wat mak uit: ‘Het Belgisch huwelijk is geprezen om het genuanceerde en complexe beeld dat de roman schetst van het verscheurde België, maar om bovenstaande reden was ik eerlijk gezegd juist een beetje teleurgesteld in deze roman. Niet dat het boek compleet verstoken is van complexiteit – de onoverzichtelijkheid van de politieke situatie in België wordt zeker gethematiseerd, geestig vaak, en met herkenbare voorbeelden – maar het blijft bij het reproduceren van posities die iedereen wel kent; schakeringen van het bestaande, waardoor de roman vooral naar het midden trekt. Elke echt goede roman breekt ook met de termen waarin het hedendaagse culturele debat wordt gedefinieerd en bepaalt zijn eigen voorwaarden.’

De beschikbaarheid van lichamen en tijd

Voorwerk

Enige tijd terug besprak Christophe van Gerrewey voor De Reactor Het licht, de tweede roman van Jeroen van Rooij, over een hechte groep jongeren uit het fictieve Nederlandse slaapstadje Bruggend. Hij ziet hun muzikale beroezing als berusting, als wereldverzaking en niet als een kritisch project:

‘Van de mogelijkheid tot culturele of intellectuele ontwikkeling lijken ze niet op de hoogte. (…) In Het licht is de uitweg voor jongeren volledig escapistisch, en blijkt het een zeer vergeeflijke uitweg die quasi-democratisch toegankelijk is – althans voor jongeren zelf. Het gaat om een project dat zich slechts van feest naar feest tilt, dat niets met de wereld te maken wil hebben, en dat aldus nauwelijks een project genoemd kan worden.’

Van Rooij neemt daarmee afstand van het cultuurkritische cliché van het kritische individu dat in opstand komt, en markeert de transitie naar truly postmodern times, waarin elk sociaal of politiek verlangen volkomen is uitgedoofd.

Ik was het er toen niet mee eens, omdat Van Gerrewey het vergeestelijkte boven het lichamelijke plaatst, en zo het affectieve leven zijn politieke werking ontzegt, en ik ben het er nu niet mee eens. Maar toen had ik de roman nog niet gelezen, en bovendien kwam ik in OPEN een interview tegen met de post-operaistische activist en denker Franco ‘Bifo’ Berardi, die de bipolaire sensibiliteit van ons huidige psychopathologische en tegelijkertijd extatische heden goed lijkt te vatten – en daarmee ook iets acuuts zegt over deze roman: ‘Het gaat niet om een politiek verzet tegen iets, maar veel meer om een psychotherapeutisch proces van de ontdekking van een gemeenschappelijk lichaam.’

Een project hebben de jongeren in Het licht wellicht dus niet, maar daarmee is hun overgave nog geen capitulatie, niet apolitiek of nihilistisch. Integendeel, de jongeren in Het licht kondigen iets aan, eisen iets terug waarvan ze zelf wellicht nog niet bewust zijn, maar hun lichamen wel: een hedendaagse vorm van autonomie, los van de temporaliteit en de precaire economie van het neoliberalisme. Ze staan niet voor de passieve heropvoering van een mentaliteit die zich heeft uitgeput, zich te pletter heeft geschreeuwd of geneukt tegen de stolp van ons consumentisme, maar herontdekken een vorm van erotische opstand. Dat eerder dan de dubieus hedonistisch klinkende samenvatting die Van Gerrewey ervan geeft.

Hoezeer de personages van Het licht ook door ambivalenties geplaagd worden, en hoe navrant de roman uiteindelijk ook eindigt, Het licht evoceert ergens de mogelijkheid van zelfbestemming van het sociale lichaam. De vraag blijft hoe die energie op collectieve schaal gebundeld kan worden, maar dat lijkt me uiteindelijk niet een van literaire aard.

‘Nur die Liebe zählt’, was het refrein van de debuutroman van Van Rooij, De eerste hond in de ruimte. Franco Berardi zegt het zo: ‘Het gaat om de bevestiging dat liefde uiteindelijk het enige werkelijk belangrijke is, en dan niet opgevat in christelijke zin, maar in een materialistische zin. Het gaat om de beschikbaarheid van lichamen en tijd’. Literatuur moet onze zinnen dan ook niet zozeer ontregelen, maar bezetten, wat op dit moment niets anders betekent dan ze vrij maken.