Zelfverzilvering

Uncategorized

nY heeft mijn essay over Kees Ouwens op haar website gepubliceerd:

Het was nooit echt moeilijk om Kees Ouwens te waarderen, maar me met hem verbinden deed ik pas echt toen ik hem als mijn tijdgenoot zag, als een versie van mijzelf. Daarmee bedoel ik niets universeels – eerder het tegenovergestelde. Ik had in korte tijd achter elkaar Klem en Arcadia gelezen, later ook Droom. Toen wist ik eigenlijk al genoeg. Maar wat wist ik?

Het was nog maar 2011. Ik was net onder invloed geraakt van mijn zelfverzilvering, en in de lauwe betrekkingen die ik met de maatschappij onderhield was langzaam iets gaan broeien, schuren, veranderen. Mijn ontdekking van Ouwens viel samen met dit moment. Zijn verwrongen taal en syntaxis, waarin staatsinrichting, de uitstalling van het eigen lichaam en een alomtegenwoordige marktbureaucratie met elkaar overhoop lagen, zijn gebroken lyriek waarin nieuwe gestalten van een grimmige tijd worden opgeroepen: het trof me ineens als vreemd eigentijds, en verstrekkend in de band die een en ander uitdrukte met zijn tijd en zijn gemeenschap.

Ik geloof dat het ons beiden veranderd heeft. Was hij wel de dichter die ik dacht dat hij was; een hermeticus dus, een solipsist en een estheet? Deze Ouwens dacht hardop na over waar hij vandaan komt, waar wij vandaan komen. Over waar ik vandaan kom.

*

Het werk van Martijn Teerlinck moet zowel letterlijk worden gelezen als in alle betekenissen, net als het werk van Ouwens, Rimbaud, Vaandrager etc.

*

Wie was ik
voor mijn herontwikkeling, toen ik op een dag
die niet de dag van de arbeid was
op het verkeerde platform van trein wisselde;
om mij heen lagen atmosferische parkeerterreinen
eenzame stukken steen
broos en weids
ik raakte in een postindustriële paniek
waar is de uitgang
op een vlakte
ik ben niet bijzonder
ik ben inwisselbaar
en de dienstensector bestaat echt
niet veel later ben ik de andere pool
van de vervreemding
verdamping ontketent
onstoffelijke stoffen
verborgen kosten
verhandeld met landen
die we kapotmaken
met creativiteit
nu mag ik mezelf plunderen
mezelf suffeesten
want het leven is een contradictie
die voluit moet worden geleefd
en je bent dood
voor je antagonisten die leven
in instituties diep in je
ja ruïnes

Een gedicht uit Verbanden en buigzaamheid, komend jaar te verschijnen bij Stanza.

Zinzendorf

Uncategorized

Op 22 september 2014 valt in een boekwinkel in Berkeley mijn oog op The H.D. Book van Robert Duncan. Het is een indrukwekkende pil, samengesteld uit de nalatenschap van de overleden dichter. Lang had het boek een verloren status: The H.D. Book, de verzameling notities, spaarzaam uitgegeven, gelezen onder vrienden en bewonderaars, rond het werk en de persoon van H.D. oftewel Hilda Doolittle bleef ongebundeld. Het werk is nu uitgegeven, en is de neerslag van een dichter die een andere dichter leest, het getuigenis van een tijd waarin poëzie haar aura weliswaar kwijt was geraakt maar nog niet volledig was ingebed in de consumptie. Dat je anders kunt leven is hier nog geen lachwekkende slogan, maar een heel voelbare mogelijkheid. Allen Ginsberg moest zijn soetra’s nog schrijven.

In de inleiding wordt verteld dat beide dichters zich aangetrokken voelden tot het occulte, hoe ze zich voedden met verborgen of verloren gewaande kennis. De privé-cult van hun dichterschap had politieke implicaties, maar niet op een normatieve manier: het werd geregeerd door het besef van een innerlijke wet, waar de maatschappij met haar verveling en lelijkheid niet bij kon. Ze waren vertrouwd met onorthodoxe religieuze praktijken; Duncan kende de theosofie, H.D. was in haar jeugd lid geweest van de kerk van Graaf von Zinzendorf.

Zinzendorf! Zoals bekend verwees Kees Ouwens later in zijn leven naar zijn geboortedorp Zeist als Zinzendorp. Naar schijnt ontleende Ouwens deze naam aan de Nederlandse anarchist Arthur Lehning, maar in Zeist, waar Zinzendorf veel aanhang kreeg, zijn ook een straat en een school naar hem vernoemd. Zinzendorfs opvattingen over gemeenschap – mystiek, utopisch – hielden in dat het traditionele gezinspatroon doorbroken werd, zodat mensen van verschillend geslacht en uiteenlopende leeftijd en huwelijkse staat met elkaar samen zouden leven.

Op 25 september 2014 lever ik aan een vreemde keukentafel de laatste correcties aan voor het essay over Kees Ouwens dat in de volgende nY zal verschijnen; ik doe niets met de nieuwe informatie.

De serendipiteit van mijn ontmoeting met Robert Duncan, H.D. en Zinzendorf leidt wel tot een plechtig besluit, want ik denk terug aan de opmerking van Samuel en Johan dat het materiaal van mijn Ouwensessay zich goed leent voor een verdere uitwerking, wellicht in de vorm van een proefschrift. Maar bladerend in The H.D. Book verdampen alle vaste vormen. Het boek Ouwens is een bij voorbaat verloren boek.

Op 30 oktober 2014 publiceert Caglar Koseoglu, die ik op 26, 27 en 28 september in L.A. opzoek, zijn krachtige Mustafareeks in nY.