Poëziekrant over Mijn eigen problemen

Blog, Uncategorized

In Poëziekrant 6 2015 (december) bespreekt Willem Thies Mijn eigen problemen. ‘Keizer maakt omwegen, omzwervingen, omtrekkende bewegingen; ja, hij kan zich onbeholpen, onhandig en omslachtig uitdrukken; maar tevens drukt hij zich zo precies, helder en scherp mogelijk uit. Hij geeft vorm aan zijn onzekerheid.’

 

Over Frans Kellendonk (5)

Voorwerk
Frans Kellendonk.

Frans Kellendonk.

Ik raakte zo opgewonden omdat ik gewoon kon voelen dat zich op dit punt iets rauws, iets onverteerds openbaarde, een gat in die prachtige, sardonische zinnen van Kellendonk waar iets uit weglekte wat niet kon worden gestelpt met propjes universele ervaring. Iets intens subjectiefs. Toen ik als bevende student Nederlands in 2006 een avond over Kellendonk bezocht in deBalie en mijn held Bas Heijne ontmoette wilde ik een literatuur van de Grote Vragen. Nu ben ik geïnteresseerd in identiteit, het rommelig particuliere – en in seks. Net als na het lezen van de brieven was er ruimte geschopt in mijn hoofd. Ruimte voor verandering, voor het andere. Ik was dan ook niet van plan het lek te dichten en met Betekenis te plamuren. Was dit, heel voorzichtig, een hoopvol antwoord op de vraag die me al jaren bezighield – de vraag of negatieve gevoelens zich in een progressieve politiek lieten vertalen?

Ik dacht terug aan de vele momenten waarop ik, terneergeslagen, teksten van de Italiaanse filosoof Paolo Virno zat te lezen op mijn studentenkamer, een aquarium op de Herengracht, terwijl ik zocht naar een taal die het verdriet van mijn privatisering kon verklanken. Virno was mijn therapie. Mijn gevoelens van cynisme en opportunisme, mijn vrolijke berusting en mijn wanhoop, waren volgens hem niet persoonlijk, maar producten van het economisch systeem waarin ik leefde – het postfordisme, met zijn romantisering van het flexibele, het tijdelijke, het individualistische. Maar juist die historische gegrondheid impliceerde, in goede marxistische stijl, dat deze gevoelens niet voor de eeuwigheid waren. Nee, ze bevatten de kiem van maatschappelijke conflicten, conflicten die konden uitgroeien tot ware transformaties, tot een nieuwe linkse politiek misschien zelfs. Dat was de ambivalentie van de onttovering. Hoe vaak had ik die woorden niet voor me uit gepreveld, als een donker loflied? De ambivalentie van de onttovering, de ambivalentie van de onttovering. Het waren woorden van hoop, een engelachtig ruisen dat mijn hart verwarmde.

Ik zag nu in dat Virno mijn laatste boei was geweest, de laatste grote theorieboei in een dode zee van uitgewoede radicaliteit, toondoofheid en armoede. Ik had me eraan vastgeklampt maar dobberde net zo reddeloos verder. En zo was ik nog een paar jaar doorgetold om deze dialectische as, tot ze in stukken brak en ik helemaal onbestuurbaar was geworden. Het magnetische waarheidseffect dat de woorden van Virno hadden gehad was vervaagd. Het was geen rituele afzwering, ik was gewoon doorgegaan met leven. Het hele edele proces waarbij het negatieve in een stralende positiviteit werd omgesmolten was magisch geworden. The stuff of legend. Het gewoon oké om stil te staan bij gevoelens van somberheid, van toevallig geluk, en van alle emoties daartussen. De totem die stijl voor mij geweest was, een manier om mijn leven te organiseren als klein individu, brokkelde af, de snippers hout als confetti in het rondgestrooid, ik raakte bedolven. Een droevig beeld eigenlijk.

Ik wilde opstaan en door de zaal ijsberen, driftig mijn neus ophalen, zoals ik altijd doe wanneer ik overweldigd word door een idee – de merkwaardige tics van het lichaam dat de spot drijft met de pontificerende ernst waarin de beschrijving van het innerlijk leven gedoopt is. Hier moest ik het met Maarten over hebben! Wanneer was het pauze? Nog niet. Eerst moesten we door een lezing heen ploegen over de vraag of lezen kan bijdragen aan de ethische ontwikkeling van lezers. Voor ik het wist was ik vastgezogen in het retorische sediment van de zinnen van deze Leuvense academicus. Wat had hij me vertellen? Ik raakte alles weer kwijt. Ik had zijn naam nog genoteerd, daaronder moedeloos, kinderlijk gedroedel – verder komen mijn aantekeningen niet. Ik wilde leven. Wat een domme gedachte eigenlijk.

Over Frans Kellendonk (2)

Voorwerk

Kellendonk,Frans19831101-11
Het is lunchpauze en ik loop samen met Daniël Rovers en Maarten over het terrein van de Leidse universiteitsbibliotheek – dit is niet de locatie uit Letter & Geest, vertellen we elkaar, dit gebouw is in gebruik sinds 1983. We zijn op een congres over Frans Kellendonk. Frans Kellendonk en de andersheid heet het in academinees, maar het had ook Frans Kellendonk en de communicatie kunnen heten, misschien wel moeten heten. Het is het begin van de zomer en de zon maakt ons minder bedrukt. Daniël zegt met zijn krakende, nasale stem, een jongensachtige twinkeling zijn ogen, dat de stijl waarin de nieuwe universiteitsbibliotheek gebouwd is ook wel postmoderne laagbouw wordt genoemd. Ik weet niet of het waar is, maar ik vind het prachtig. We lachen. Kellendonk spookte hier rond! Dit was het perfecte, pregnante begin van het essay over zijn werk waar ik al sinds 2005 naar zocht – licht en toch gewichtig. En meteen verfoei ik mezelf om deze neurotische, typisch essayistische gedachte, wat niet minder neurotisch is.

Maar mijn gedachten waren al niet meer te houden. Ze strekten zich voor me uit en lieten alles op elkaar rijmen. Was postmoderne laagbouw, bedacht ik terwijl we door een draaideur gingen, op weg naar de lunch, immers niet een ideale figuur om na te denken over het werk van Kellendonk? De architectuur die ons omringde was ook een oplossing voor het drama waar Kellendonk mee had geworsteld. Het gebrek aan transcendentie. Dat werd door deze bouw, die in alles vlakheid wilde uitstralen, alleen maar geaccentueerd. Het essay begon zichzelf te schrijven. De oude bruggen waren ingestort zoals Kellendonk zelf had geschreven in De veren van de zwaan, en we leefden nu tussen brokstukken die een ontbrekend geheel moesten stutten. Het was een beschrijving die volmaakt paste op Kellendonks eigen stijl. Zonder religie en metafysica moest een weefsel van zinnen de leemte opvullen die de overleden God had achtergelaten – vergeefs natuurlijk, zou ik daar in mijn essay alwetend aan toevoegen, want de stijl beloofde een naadloosheid die helemaal niet kon bestaan. Een bewustzijn dat de zinnen van Kellendonk cultiveerden, die naarmate ze verder werden voortgestuwd hun eigen tegenkrachten opriepen en werden teruggestoten, de diepte in, waar ze een blik gunden op hun eigen bouwvalligheid en kunstmatigheid.

Verheffing en verval. Het spel van verticaliteit en horizontaliteit. Het hele drama van de moderniteit, van de vooruitgang, zat samengebald in deze stijl. Kellendonk noemde de syntaxis van Bordewijk een spooksyntaxis, misschien was het zelfs een behekste syntaxis die alles perverteerde waarmee ze in aanraking kwam. De stijl van Kellendonk had ook onmiskenbaar iets van camp, met haar fixatie op de emblemen van het verleden, op het archaïsche en verouderde. Misschien verried het daarmee een nog wel duisterder waarheid – de afwezigheid van welke grond dan ook. Maar dat betekende dat het probleem van de kennis zou nooit worden opgelost, dat er geen hoop was op overbrugging, op continuïteit. Er spoelde een vlaag van vertwijfeling door me heen.

Er loopt een giraf door de zinnen van Kellendonk, een volmaakt dier dat onder en boven verknoopt, gracieus en van een misplaatste schoonheid. Want de waarheid was dat de giraf in Nederland van nature niet voorkwam en dat de lunch al op tafel stond, broodjes in kartonnen wikkels, allemaal hippe combinaties – humus met gegrilde courgette, rosbief met rucola. Daar zat Frans-Willem, wiens lezing over het katholieke ideaal bij Kellendonk ik die ochtend gemist had. Ha Frans-Willem!

Wordt vervolgd in deel 3.