Twee keer thuisverlangen

Voorwerk

Wat is het toch met postmoderne intellectuelen met een thuisverlangen? Er zit een stuk in. Dat moet ik nog schrijven, maar als voorschot daarop alvast twee kritieken: een over Geert Buelens, en een over Marc Reugebrink.

Voor De Reactor schreef ik over Thuis, de nieuwe bundel van Geert Buelens. Waarin het huis in bouwvallige staat verkeert. Een desolate boedel. De vraag is hoe we het weer terugkrijgen, nu nationalisten, kosmopolieten en speculanten er met de buit vandoor dreigen te gaan. De afloop is ongewis, maar nieuwe genres dienen zich aan. Een aantrekkelijke bundel, die het sentiment niet schuwt. Lezen die hap.

In de Leeswolf een stuk van mijn hand over Het Belgisch huwelijk, de nieuwe roman van Marc Reugebrink. De roman die je wist dat zou komen, zou je haast zeggen. Ik schreef het stuk nog net voor de N-VA een eclatante en desastreuze verkiezingsoverwinning boekte. Tegen die achtergrond pakt het boek wat mak uit: ‘Het Belgisch huwelijk is geprezen om het genuanceerde en complexe beeld dat de roman schetst van het verscheurde België, maar om bovenstaande reden was ik eerlijk gezegd juist een beetje teleurgesteld in deze roman. Niet dat het boek compleet verstoken is van complexiteit – de onoverzichtelijkheid van de politieke situatie in België wordt zeker gethematiseerd, geestig vaak, en met herkenbare voorbeelden – maar het blijft bij het reproduceren van posities die iedereen wel kent; schakeringen van het bestaande, waardoor de roman vooral naar het midden trekt. Elke echt goede roman breekt ook met de termen waarin het hedendaagse culturele debat wordt gedefinieerd en bepaalt zijn eigen voorwaarden.’

Abdicatie

Voorwerk

Terwijl op de Nederlandse televisie koningin Beatrix haar abdicatie bekendmaakte, sprak ik voor het Vlaamse tijdschrift De Leeswolf met Sven Vitse (literatuurwetenschapper en criticus) over de toekomst van het literaire engagement. Sander Bax, eveneens literatuurwetenschapper en criticus, modereerde: ‘Treffender had een van de belangrijkste dilemma’s van het gesprek niet verbeeld kunnen worden: hoe krijg je politiek betrokken experimentele literatuur voor het voetlicht in een samenleving die daar eigenlijk geen oog voor heeft. Een gesprek over politiek in de marge en het verlaten van het reservaat.’

Aanleiding voor het gesprek was de recensie die ik schreef voor De Reactor over Marc Reugebrinks boek Het geluk van de kunst en de reeks essays die Sven Vitse onlangs publiceerde in De Leeswolf (jg. 18, nr. 7-9) over ‘Experiment in crisistijd’.

De volledige tekst van het interview hoop ik binnenkort online te kunnen zetten. Hierbij alvast een kort fragment:

Sven Vitse: Ik vond dat Marc Reugebrink erin geslaagd was op een integere manier de autonome positie van de schrijver ter discussie te stellen. Doorgaans wordt over dit probleem vanuit een superieure cultuurkritische positie gepraat. Ik had het gevoel dat Reugebrink zich expliciet rekenschap gaf van het problematische karakter van die positie. En ik heb de indruk dat jij vindt dat hij daar nog lang niet ver genoeg in ging.

Frank Keizer: Eindelijk kwam ik eens iemand tegen die de vraag stelt of we nog van die autonome positie uit moeten gaan en of we misschien kunnen gaan werken vanuit een andere, heteronome positie. Maar nog voor hij het concreet heeft weten te maken, duiken er alweer ‘oude reflexen’ op.  […]

Behalve over Reugebrink en literaire autonomie spraken we over de toekomst van een linkse, emancipatoire politiek, de expliciete lyriek in mijn bundel Dear world en het denken van Alain Badiou.

Iemand die zo’n positie in mijn ogen wel concreet weet te maken is schrijver en kunstenaar Jack Segbars. Ik besprak, een tijd terug alweer maar nog steeds actueel, zijn boek Inertia, een verslag van een reis naar Palestina in 2009 en 2010 waarin hij de mogelijkheden en grenzen, de parameters kortom, van het artistieke engagement onderzoekt. Dit doet hij tegen de achtergrond van de overweldigende politieke realiteit van het Israël-Palestina-conflict, en de ingewikkelde medeplichtigheid van de kritische kunstenaar daarbinnen, wanneer hij wordt geacht mee te denken en te praten over zijn rol als maatschappelijk medevormgever.

Inertia is daarmee een boek dat bij uitstek gaat over de instrumentalisering van kunst en kunstenaar, en de vraag hoe we deze inbedding van kunst in de samenleving op een niet-instrumentele manier kunnen inzetten. Die vraag is van belang in het licht van de neoliberaal-populistische aanval op de kunst die we de afgelopen jaren hebben gezien, maar zeker ook in het licht van een niet minder problematisch discours: dat van de naoorlogse sociaaldemocratie, inmiddels nagenoeg verdampt, of dat van de ‘creatieve industrie’, waarvoor kunst een vroom vernisje is dat een wezenlijk economische logica verhult.

Segbars probeert te ontsnappen aan het voorgekookte engagement en het profijtelijke idealisme, en maakt komaf met het idee dat kunst, de artistieke verbeelding of een surrogaat zou kunnen zijn voor het politieke. Dat Segbars er desondanks in slaagt niet cynisch te worden en weigert in een reflexmatige kritische stuip te schieten, is knap. Ik hoop dat er meer van dit soort boeken gaan verschijnen.