De Europese gedachte van een Rus

Uncategorized

Daniël Rovers vroeg me op Tirade om een stemadvies. Dat heb ik niet maar ik geef graag een Europese gedachte mee. Van een Rus. In het lange gedicht ‘Europa’ van Kirill Medvedev zit de dichter in de bus naar Rome, op weg naar een poëziefestival. Beschonken en extatisch geeft hij zich over aan een dronken visioen van een post-etnische toekomst dat even apocalyptisch is als utopisch. Provocerend, totaal geschift en heel erg goed. Een fragment:

ik zie hoe bloedverwanten
of speciaal daarvoor in dienst genomen verplegers
terminaal zieke mensen
europa rondduwen in rolstoelen:
toeristen zijn het
allemaal of toch bijna allemaal zijn het toeristen
ik zie dat bijna alle toeristen
lijken op die zieken,
ik vraag me af
hoe je in dergelijke situaties moet handelen,
ik geloof dat je je bij voorbaat moet verheugen
op je aanstaande
waarachtige
onmogelijke
ongeziene
reis, zonder je te vergapen aan de levende ruïnes
met hun hagedissen,
zonder je lichaam
dat al wat gehavend is (slap, plomp, zoet en
al niet helemaal meer van jou)
met je mee te zeulen
door lieflijke steden in het avondrood,
waar alles gruwelijk is,
waar alles mooi is,
waar iedereen zuipt,
waar van alles gezopen wordt,
waar alles wordt opgezopen,
binnenkort waait alles weg
binnenkort houdt alles op te bestaan
ook mensen zullen ophouden te bestaan
dan komt de sloop
en bepaalde mensen die niet bestaan
(zoals iemand die in een wasbak kotst)
zullen zich over ons buigen
als over dode geschifte inktvissen
als over kokendhete bekers
als over krankzinnig geworden groenten
en dan
(als over op hol geslagen augurken)
en dan
zoals wij nu in onze stupiditeit, curiositeit,
verzadigde inertie de wens koesteren
om niet vergeten te worden,
(we zouden graag staarten
nalaten), we willen
iets nalaten,
zo zullen wij (wanneer we niet bestaan) wensen
dat WIJ gelaten worden
dat WIJ met rust gelaten worden
vergeten worden
zodat onbekende (die op hun manier – op onze manier –
evenmin bestaan)
mensen
of geen mensen
maar een soort klodders of afdrukken
een soort rondkruipende vormen,
sporen die naar de mist leiden,
zich niet zo innig zouden buigen
over onze wasbakken,
over onze geïmproviseerde ruwe doodskisten,
als over dunne vleugels
als over heldere doorzichtige hoofden
in een poging te begrijpen
hoe het is gebeurd en wat er is gebeurd
en wanneer het is gebeurd,
wanneer en waardoor we zo ongemerkt
waanzinnig zijn geworden
en waarom (waarom?)

Uit: Kirill Medvedev, ‘Europa’, vertaling Pieter Boulogne. Opgenomen in Alles is slecht, Leesmagazijn 2014.

Laboratorium

Voorwerk

Eerder dit jaar schreef ik voor het Vlaamse tijdschrift De Leeswolf een bespreking van de debuutroman van theatermaker Pieter De Buysser, De keisnijders. Die bespreking staat nu online op de site van De Reactor. Het is alweer even geleden dat ik het stuk schreef, begin januari om precies te zijn. Hieronder volgen enkele nieuwe bedenkingen bij dit boek.

De keisnijders is een intelligente, ambitieuze ideeënroman, gDe keisnijderseïnspireerd door veel cutting edge-filosofie, zoals De Buysser in een diepgravend interview op de site van Kritische Studenten Utrecht vertelt. Onder meer Badious theorie van het evenement & het subject als drager van een waarheid, het speculatief realisme van Meillassoux en het autonomia-denken van Castoriadis en zijn ideeën over het gemeenschapsvormende potentieel van de verbeelding komen voorbij.

De Buysser is dus goed ingevoerd. Tegelijkertijd wordt uit De keisnijders duidelijk dat een parade van nieuwe denkers niet per se ook nieuwe literatuur hoeft op te leveren. De Buysser, opnieuw in het interview met KSU:

Het willen breken met de traditie van de breuk is net eigen aan het heersen van de ideologie, die wil de avant-garde van gisteren installeren als het commissariaat van morgen. Dat is net het verraad aan de traditie van de breuk. Ik wil graag de repeterende breuken doordenken en verder zetten, in de politiek en in de literatuur. We stellen het intussen wel al heel erg lang met een politieke organisatievorm die er de kantjes van begint af te lopen, ik wens Oom Dagobert een stevige paradigmawissel toe, net zoals ik dat de romankunst toewens. Avant-garde, all the time.

‘Avant-garde all the time.’ Wie bekend is met het werk van de filosofen die De Buysser aanhaalt zal hier toch even fronsen. Natuurlijk, allemaal denken ze de breuk, en allemaal zijn ze fel tegen de afgeleefde politieke organisatievorm die tegenwoordig voor democratie moet doorgaan. Maar geen van hen laat dit project, en dat is cruciaal, samenvallen met de avant-garde, die – zo menen zij, ik denk terecht – na de desastreuze verstrengeling van esthetiek en politiek in de twintigste eeuw is uitgedoofd. Juist niet: ze vragen zich af hoe politieke kunst er na de implosie van de avant-garde uit zou kunnen zien.

Dit is de vreemde paradox van het boek van De Buysser: de schatplichtigheid aan een filosofie die vernieuwend  en voorbij wil gaan aan de impasses van de ‘oude’ revolutionaire politiek, vindt haar neerslag in een artistiek programma dat de gestes van de avant-garde herhaalt als gestes.

Zo wordt de nieuwe Berlijnse muur in De keisnijders, een kolossale nul, samengesteld uit het puin van de oude muur, de ‘voorafspiegeling van een ongeziene figuur’ genoemd, een verbeelding van een toekomstige gemeenschap. En het niemandsland rond de Berlijnse muur waar De keisnijders zich afspeelt wordt gepresenteerd als een ‘laboratorium voor antropotechnieken’, een ruimte waar al spelend, experimenterend en verhalend vertellend een nieuwe mens tot stand wordt gebracht.

Kunst dient hier als voorstelling van een andere, utopische maatschappij, en als laboratorium voor politieke verandering. Twee ideeën over politieke esthetiek waar Badiou zich nu juist altijd fel tegen heeft verzet. In zijn denken gaat het om de mogelijkheid van verandering right here right now, en kan kunst nooit ter vervanging dienen van een politiek evenement. Sterker nog, het verwarren van politiek en kunst heeft geleid tot de verwatering van het werkelijke politieke potentieel van kunst, dat gelegen is in de wijze waarop het een evenement kan doen verschijnen.

Het gaat in politieke kunst volgens Badiou dan ook niet om negativiteit, het voortzetten van repeterende breuken maar om een positief gegeven: het formuleren van een nieuw politiek subject in het spoor van een evenement. De Buysser houdt daarentegen vast aan een avant-gardistisch begrip van kunst als wegbereider van een nieuwe politiek en een nieuwe maatschappij. Het gevolg is dat De Buysser onvermijdelijk met de totalitaire erfenis van de avant-garde en de klassieke revolutionaire linkse politiek zit opgescheept . Dat maakt dat dit boek uiteindelijk in een impasse belandt.