Over Generator van Koen Sels

Uncategorized

Koen Sels gaat in zijn debuutroman Generator ‘op zoek naar hoe het komt’ maar moet gaandeweg vrezen dat hij zichzelf alleen maar verder onmogelijk maakt, zowel in de liefde als in werk. Hij wil met dit boek, een coming of age-roman, alledaagse sensaties redden van de luide roep om conventionaliteit (familie, natiestaat, normatieve seksuele patronen) en ze aftasten in hun potentieel, voor ze vaste vorm hebben gekregen. Sels is, en hier verraadt zich de kunstopleiding die hij genoten heeft, geïnteresseerd in documentatie, niet in werk. Dat klinkt droog en conceptueel, met als de titel, maar Sels schrijft het meest affectieve proza dat ik sinds tijden las. De vertelwijze is episodisch: de vorm die gebeurtenissen aannemen als vaste genres om hun ontwikkeling, afwikkeling en verwikkeling te beschrijven ontbreken. Ook de volwassenwording die het boek suggereert is zo bedrieglijk, en wordt uiteindelijk afgewezen: echte groei is in dit boek afwezig. In plaats daarvan: verruimtelijking van iets wat zich in de tijd afspeelt. Gelijktijdigheid. De jeugd van de auteur wordt op paradoxale wijze tegelijkertijd als onpersoonlijk en persoonlijk beschreven. Zoals zoveel mensen van zijn generatie (op deze lezing neemt de titel ook een voorschot) groeit Koen Sels op zonder voorgeschiedenis, in een van de vele verkavelingswijken van West-Europa waarin de geschiedenis tot stilstand is gekomen. Ja, dit is ook een boek over de jaren negentig, een tijd van oneindige deja-vu. Maar het beeld dat er is ontstaan van die jaren maakt deel uit van de vertelling zelf: de jaren negentig worden ‘fake, stijlloos en ahistorisch’ genoemd. Daarmee komen ze op losse schroeven te staan. Dat vertellende metabewustzijn is kenmerkend voor dit boek, maar nergens vermoeiend of verlammend. Koen Sels wil voorbij geprefabriceerde noties over zichzelf denken. Hij doet een poging het heden te articuleren in popliedjes die als ritme in plaats van als tegencultuur bestaan, gesprekken aan niet-filosofische tafels, en in relaties die (nog) niet exemplarisch zijn.

Monologen aan Dirk

Uncategorized

Ik haal dit blog uit de slaapstand. Maar eerst een schaamteloze filler. Sinds eind januari, de dag na Gedichtendag, schrijf ik brieven aan Dirk van Bastelaere, ooit woordvoerder van de Vlaamse postmodernen, nu van de N-VA. In nY #25 zijn er nu een aantal gepubliceerd. Over postmodernisme, neoliberalisme, de dislocatie van de moderne intellectueel, onze huiskamers en het instituut, dat als ruïne in ons zit. Het is de bedoeling dat de correspondentie, of monologen, worden voortgezet. De opening van de tweede brief:

Sint-Niklaas, Waasland
Hotel New Flanders
Zondag 22 februari 2015

Beste Dirk,

Ik lig op bed in een vrijwel leeg Hotel New Flanders, dat tegenwoordig door een Nepalese zakenman gerund wordt en een sushibar huist. Etensluchten kruipen omhoog door het plafond en parfumeren de gangen en onze kamers. De naam van het hotel is veramerikaniseerd tot Hotel New Flanders. Over alles ligt de waas van het transnationale. Volgens mij zegt dit iets over de ontworteling waarover ik het wil hebben. In mijn handen ligt mijn exemplaar van Hotel New Flandres. 60 jaar Vlaamse poëzie. Ik zie het als je testament, afkomstig uit een tijd dat je nog genuanceerd wilde denken over poëzie.

Ik ben in Sint-Niklaas om voor nY fictioneel, poëticaal, lijfelijk, verslag te doen van je huiskamerlezing van Fallicornia, een dichtbundel die uit een la lijkt te zijn gerold, een tijdscapsule. Ik probeer te voelen wat de geschiedenis met een dichterschap doet. Met Johan liep ik in de namiddag langs het seminarie en het standbeeld van Anton van Wilderode en meende ik iets te weten over geworteld zijn, een radicaal regionalisme, over cultuur die niet gegeven is maar moet worden bevochten. Iets wat ook ik, die niet over een Vlaams lichaam beschikt, herken, aan de andere kant van de grens.

Verder lezen kan dus bij nY en verder is het nu wachten op antwoord aka Dirk writes back.

Zelfverzilvering

Uncategorized

nY heeft mijn essay over Kees Ouwens op haar website gepubliceerd:

Het was nooit echt moeilijk om Kees Ouwens te waarderen, maar me met hem verbinden deed ik pas echt toen ik hem als mijn tijdgenoot zag, als een versie van mijzelf. Daarmee bedoel ik niets universeels – eerder het tegenovergestelde. Ik had in korte tijd achter elkaar Klem en Arcadia gelezen, later ook Droom. Toen wist ik eigenlijk al genoeg. Maar wat wist ik?

Het was nog maar 2011. Ik was net onder invloed geraakt van mijn zelfverzilvering, en in de lauwe betrekkingen die ik met de maatschappij onderhield was langzaam iets gaan broeien, schuren, veranderen. Mijn ontdekking van Ouwens viel samen met dit moment. Zijn verwrongen taal en syntaxis, waarin staatsinrichting, de uitstalling van het eigen lichaam en een alomtegenwoordige marktbureaucratie met elkaar overhoop lagen, zijn gebroken lyriek waarin nieuwe gestalten van een grimmige tijd worden opgeroepen: het trof me ineens als vreemd eigentijds, en verstrekkend in de band die een en ander uitdrukte met zijn tijd en zijn gemeenschap.

Ik geloof dat het ons beiden veranderd heeft. Was hij wel de dichter die ik dacht dat hij was; een hermeticus dus, een solipsist en een estheet? Deze Ouwens dacht hardop na over waar hij vandaan komt, waar wij vandaan komen. Over waar ik vandaan kom.

*

Het werk van Martijn Teerlinck moet zowel letterlijk worden gelezen als in alle betekenissen, net als het werk van Ouwens, Rimbaud, Vaandrager etc.

*

Wie was ik
voor mijn herontwikkeling, toen ik op een dag
die niet de dag van de arbeid was
op het verkeerde platform van trein wisselde;
om mij heen lagen atmosferische parkeerterreinen
eenzame stukken steen
broos en weids
ik raakte in een postindustriële paniek
waar is de uitgang
op een vlakte
ik ben niet bijzonder
ik ben inwisselbaar
en de dienstensector bestaat echt
niet veel later ben ik de andere pool
van de vervreemding
verdamping ontketent
onstoffelijke stoffen
verborgen kosten
verhandeld met landen
die we kapotmaken
met creativiteit
nu mag ik mezelf plunderen
mezelf suffeesten
want het leven is een contradictie
die voluit moet worden geleefd
en je bent dood
voor je antagonisten die leven
in instituties diep in je
ja ruïnes

Een gedicht uit Verbanden en buigzaamheid, komend jaar te verschijnen bij Stanza.